Hoofdinhoud

Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden zoals gewijzigd door Protocol
Nr. 11 met de aanvullende Protocollen Nrs. 1, 4, 6 en 7


De tekst van het Verdrag was gewijzigd door de bepalingen van Protocol Nr. 3 (ETS Nr. 45), in werking getreden op 21 september 1970, van Protocol Nr. 5 (ETS Nr. 55), in werking getreden op 20 december 1971, en van Protocol Nr. 8 (ETS Nr. 118), in werking getreden op 1 januari 1990, en bevatte tevens de tekst van Protocol Nr. 2 (ETS Nr. 44) dat, sinds het op 21 september 1970 in werking trad een integraal gedeelte van het Verdrag had uitgemaakt in overeenstemming met Artikel 5, paragraaf 3 van dat Protocol. Alle bepalingen die een wijziging  hadden ondergaan of waren toegevoegd door deze Protocollen zijn vervangen door Protocol Nr. 11 (ETS Nr. 155), met ingang van de datum 1 november 1998 waarop dit in werking trad. Vanaf die datum is Protocol Nr. 9 (ETS Nr. 140), in werking getreden op 1 oktober 1994, ingetrokken.


Griffie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
november 1998

De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, zijnde Leden van de Raad van Europa, Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is afgekondigd;


Overwegende, dat deze Verklaring ten doel heeft de universele en daadwerkelijke erkenning en toepassing van de Rechten die daarin zijn nedergelegd te verzekeren;


Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is het bereiken van een grotere eenheid tussen zijn Leden en dat een van de middelen om dit doel te bereiken is de handhaving en de verdere verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;


Opnieuw haar diep geloof bevestigende in deze fundamentele vrijheden die de grondslag vormen voor gerechtigheid en vrede in de wereld en welker handhaving vooral steunt, enerzijds op een waarlijk democratische regeringsvorm, anderzijds op het gemeenschappelijk begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de rechten van de mens waarvan die vrijheden afhankelijk zijn;


Vastbesloten om, als Regeringen van gelijkgestemde Europese staten, die een gemeenschappelijk erfdeel bezitten van politieke tradities, idealen, vrijheid en heerschappij van het recht, de eerste stappen te doen voor de collectieve handhaving van sommige der in de Universele Verklaring vermelde rechten;